SJOERD PIETERS SCHAAF, EEN FRIESE PATRIOT

Sjoerd Pieters Schaaf, een voorvader van mij, leefde van 1756 tot 1831. Als timmerman uit Vrouwenparochie is hij betrokken geraakt bij de grote maatschappelijke gebeurtenissen van zijn tijd, de patriottentijd. Hoewel hij hierin niet een vooraanstaande figuur is geweest, laat het verhaal over zijn leven toch zien hoe de heftige gebeurtenissen van die periode het leven van een gewone timmerman van het Friese platteland diepgaand hebben beïnvloed. Ook laat het zien hoe groot de betekenis van een keuze, die iemand in zijn jonge jaren uit idealistische overwegingen maakt, voor de rest van zijn leven kan zijn. Daarnaast is hij, als timmerman, verantwoordelijk voor zijn en mijn familienaam.

 

SJOERDS JONGE JAREN
Sjoerd Pieters wordt op 8 december 1756 geboren in Vrouwenparochie als tweede zoon van Pytter Siebes en Jelske Sjoerds.  De oudste, Sybe, wordt op 22 december 1751 geboren. Bij de doop van Sjoerd staat in het doopboek vermeld dat de vader “timmerman in de Buurt” (Vrouwbuurt) is. Sybe wordt kastelein in Weidum, Sjoerd neemt het timmerbedrijf van zijn vader over. In het boek Geschiedenis van Het Bildt staat dat Sjoerd “eenen Schoonen Timmeraffaire” bezit.  Misschien gebeurt de overname als hij in 1781 trouwt met Rinske Daams Gelder, dochter van een boer onder Sint-Annaparochie. Sjoerd houdt zich echter niet alleen met timmeren bezig, hij heeft ook politieke ideeën en ambities.

 

DE PATRIOTTEN
In de tijd waarin Sjoerd opgroeit, lijkt de Gouden Eeuw van de Nederlandse Republiek voorbij. Als handelsnatie is de Republiek overvleugeld door Engeland en in de internationale politiek telt ze nauwelijks meer mee.  In 1781 verschijnt een anoniem pamflet, “Aan het volk van Nederland”. Hierin worden het zwakke beleid van Willem V en de vriendjespolitiek van de regenten aangeklaagd. Door dit pamflet van Joan Derk van der Capellen ontbrandt een felle discussie tussen de aanhangers van de stadhouder en zijn critici, die zich patriotten noemen.

Ook Sjoerd voelt zich aangetrokken tot de patriottische  ideeën. Deze zijn populair in Het Bildt. Op 22 augustus 1784 wordt te Vrouwbuurt een exercitie van de Bildtse vrijcorpsen gehouden van ruim 150 man. De kans dat Sjoerd daarbij aanwezig is geweest, hetzij als deelnemer hetzij als toeschouwer, lijkt in het kleine Vrouwenparochie groot. Op 21 april 1786 is Sjoerd luitenant bij de exercitiegenootschappen van de patriotten in Het Bildt.

In 1787 ontwikkelt zich een revolutionaire situatie. Stadhouder Willem V voelt zich niet meer veilig in het patriottische  Den Haag en trekt zich terug in Nijmegen. Als zijn vrouw, Wilhelmina van Pruisen, naar Den Haag wil reizen, wordt haar koets bij Goejanverwellesluis door patriottische  soldaten teruggestuurd. Wilhelmina is hier razend over en roept haar broer Frederik Willem II, koning van Pruisen, te hulp om de orde te herstellen. Deze stuurt een leger van 26000 Pruisische soldaten naar de Republiek.

In 1787 blijkt Sjoerd kapitein van een vrijcorps in Franeker te zijn. Hoe is hij hierbij betrokken geraakt? De verhouding tussen Oranjeaanhangers en patriotten in Friesland is dan zeer gespannen. Franeker, met zijn universiteit, is de meest omwentelingsgezinde stad van Friesland met veel patriottische  professoren en studenten. Leider van de patriotten in Franeker is Coert Lambertus van Beyma.

De Franekers brengen de stad in staat van verdediging en krijgen hierbij steun van  zo’n vijftienhonderd vrijcorporisten uit de hele provincie, waaronder zestig uit Het Bildt.

Op 13 september 1787 vallen de Pruisische troepen de Republiek binnen. In Friesland worden de aanvallen op de patriotten uitgevoerd door troepen van de prinsgezinde Provinciale Staten. De patriottische tegenstand stort snel in elkaar. Op 20 september vindt nog de slag bij Stiens plaats, maar als het kanon van de patriotten uit elkaar spat, vluchten zij via Vrouwenparochie en Berlikum naar Franeker. Het is goed mogelijk dat Sjoerd, bekend met de regio en kapitein van een vrijcorps uit Het Bildt,  betrokken is geweest bij de slag van Stiens.

Van Beyma vlucht op 23 september 1787 met een groot aantal patriotten naar Stavoren. Op 26 september worden troepen uit Leeuwarden hierheen gestuurd “om de aldaar samengerotte menigte, die uit Franeker is gevlucht, te verjagen”.  De patriotten gaan per schip naar Amsterdam, maar als deze stad zich op 10 oktober moet overgeven, vluchten de meesten naar Frankrijk. Er breekt in verschillende delen van het land een oranjefurie uit waarin huizen van patriotten worden geplunderd en bewoners ervan gemolesteerd.  Onder de vluchtelingen bevindt zich Sjoerd, die zijn zwangere vrouw Rinske met twee kleine kinderen achterlaat.

Van september 1787 tot februari 1795 woont Sjoerd in een kazernecomplex in Sint-Omaars (Saint-Omer). Deze garnizoensstad is door de Franse regering als verzamelplaats voor Nederlandse patriotten aangewezen. Hij werkt daar als metselaar, timmerman en houtkoper. Zijn vrouw woont met twee, later drie kinderen in Vrouwenparochie. Uit brieven komt Sjoerd te weten dat zijn timmerbedrijf stilligt en zijn gezin tot armoede is vervallen.

 

HET JAAR 1795
In 1795 veroveren de Fransen samen met het Bataafse Legioen van uitgeweken patriotten de Republiek en verjagen de stadhouder. Bij de Franse troepen bevindt zich Sjoerd, “als vrijwilliger in Fransche dienst zijnde is hij in 1795 weder binnen Friesland door de daar gestelde revolutie gekoomen”. Kort na zijn terugkeer overlijden zijn vader Pytter (21 maart) en zijn moeder Jelske (5 april). Volgens de tekst in de Bijbel van de familie Schaaf is Sjoerd pas de dag na het overlijden van zijn vader thuisgekomen. Waarschijnlijk mocht hij van de legerleiding niet eerder naar huis teruggaan.

Hij moet bij zijn terugkeer constateren dat zijn gezin verarmd is en zijn timmerbedrijf verlopen. Zijn kinderen hebben hem waarschijnlijk niet meer herkend. Vanaf dat moment staat het leven van Sjoerd in het teken van het verkrijgen van compensatie voor de verliezen die hij geleden heeft en van het vinden van een baan. Hij  begint onmiddellijk met het schrijven van brieven voor een baan als officier in het nieuwe Bataafse leger. In de brief van 13 september 1795 aan de Representanten van het volk van Friesland schetst hij de situatie van zichzelf en zijn gezin: “’t Werk is verloopen en overgegaan in handen van andere Patriottise timmerlieden”. In het Dagverhaal van de provincie van 24 oktober 1795  staat dat hij “zijn meermalen gedaan verzoek (herhaalt) om in zijne bekrompen omstandigheden gered te worden door als Officier geplaatst te worden in den militairen stand”.  Maar het levert niets op.

Sjoerd laat ook anderen voor zich opkomen. De vooraanstaande Friese patriot Ale Ales Bakker schrijft in november 1795 aan de Burgers Representanten: “Den burger S.P v.d. Schaaf heeft mij gecommeniseerd dat hij tot de uiterste armoede gekomen zijnde reeds bij boelgoed zijn goederen heeft verkogt”. Een mogelijkheid zou zijn, zo geeft Bakker aan, dat Sjoerd zijn timmerbedrijf weer opstart. Hij zal, “als (hij) geen ander emploij kan bekoomen, zijn genoodzaakt die Affaire weer te beginnen”. Maar daarvoor heeft hij geen geld dus “een opschot van 3000 gulden zou nodig zijn”. Beter lijkt Bakker een baan voor Sjoerd als  strandmeester in Het Bildt. Deze functie wordt vervuld door Daniel La Fleur. Maar Bakker, lid van een commissie voor onderzoek naar het gedrag van alle Friese ambtenaren, vindt deze La Fleur ongeschikt voor zijn werk. Hij schrijft dat hij “genoegzame bewijsen (…) dat hij hem dien post onwaardig gemaakt heeft en verzoekt (…) om gemelde D. La Fleur te doen ophouden dien post waar te nemen”. Hij vindt Sjoerd voor deze functie wel geschikt.

Het mag allemaal niet baten. 1795, het jaar dat zo hoopvol was begonnen met de terugkeer naar zijn vaderland en zijn gezin, krijgt voor Sjoerd een somber uiteinde.

 

DE GEBEURTENISSEN NA 1795
In 1796 wordt Sjoerds patriottisme beloond: hij krijgt een functie als Landsbode bij het Provinciaal Bestuur van Friesland. Het gezin verhuist dan naar Leeuwarden. Hij verkoopt zijn timmerbedrijf op 12 mei 1797 voor 825 gulden.

Als in 1798 de Republiek een eenheidsstaat wordt, wordt de provincie Friesland echter opgeheven en gaat onderdeel uitmaken van het Departement van de Eems. Sjoerd verliest zijn moeizaam verworven baan. Hij wordt zelfs gezien als baantjesjager en profiteur. Op 29 juni 1799 plaatst ene N.N. een advertentie in het patriottische Volksblad met een verzoek om rectificatie van een eerder in deze krant verschenen bericht. Hierin was Sjoerd een “sluikplunderaar” genoemd. N.N. reageert dat de krant “onzen Vriend Sjoerd Pieters Schaaf  (…) stoutelijks rangschikt onder die wezens dien gij bestempelt met de naam van SLUIKPLUNDERAARS, waarlijk een Schandnaam die hij niet verdiend”.  Door N.N. wordt Sjoerd  een “uitgeweeken Bataaf, een beproefd Patriot” genoemd die “voor het noodlottig jaar 1787 Timmerman (was) te Vrouwenbuurt of wel Vrouwen-Parochie”.

Ook financiële compensatie voor zijn verliezen krijgt Sjoerd niet. De Secreete Commissie voor de uitgeweeken en teruggekeerde Bataven  beschikt in 1801 negatief op zijn verzoeken. De eerste reden is gebrek aan bewijs (!) en de tweede is dat zijn verzoek “na den gefixeerden tijd”  is binnengekomen.

Tussen 1801 en 1804 wordt Sjoerd benoemd tot  commies bij de douane en de belastingen in Bellingwolde.  Tijdens het Koninkrijk Holland (1806 – 1810) is hij hier werkzaam maar als Nederland deel uitmaakt van het Franse keizerrijk (1810 – 1813) wordt hij twee keer in de archieven vermeld als oud-commies. Napoleon heeft in deze periode alle Nederlandse douaniers, die hij niet vertrouwt, vervangen door Franse, misschien ook Sjoerd.

Na de Franse tijd is Sjoerd bij de belastingen blijven werken. In 1819 is hij “commies bij ’s Lands-middelen” te Winschoten en in 1827 “commies” in Hoogeveen. Bij de volkstelling van 1829 wordt hij geregistreerd als “commies bij de in en uitgaande regten en accijnzen” in Zuidwolde. Na zijn overlijden in 1831 staat in de overlijdensakte dat hij “gepensioneerd commies” was in Zuidwolde.

 

HOE IS HET VERDER MET SJOERD GEGAAN?
Sjoerd en Rinske krijgen in totaal acht kinderen. De eerste drie worden in Vrouwenparochie  geboren: Daam op 12 juni 1783, Jelske op 2 oktober 1786 en Maatje op 20 maart 1788. Zij wordt op 5 april 1789 gedoopt “alleen door de moeder, daar de verblijfplaats van de vader onbekend is”. Vader Sjoerd zit dan namelijk als balling in Frankrijk. Tussen de geboorte van Maatje en haar doop zit meer dan een jaar, een ongebruikelijk lange periode. Moeder Rinske heeft waarschijnlijk gehoopt dat vader Sjoerd terug zou komen en toen dit niet het geval was, Maatje alléén laten dopen.

Na Sjoerds terugkeer bij zijn gezin worden er meer kinderen geboren. Eerst Pieter op 27 februari 1796 in Vrouwenparochie. Als Sjoerd landsbode bij de provincie Friesland is, worden in Leeuwarden op 19 april 1798 Antje en op 18 november 1801 Sijbe geboren.  Daarna verhuist het gezin naar Bellingwolde, waar op 3 mei 1804 dochter Doetje wordt geboren.

Pieter, Antje en Sijbe worden niet, zoals de eerste drie kinderen, kort na de geboorte gedoopt. Misschien heeft Sjoerd, door zijn geloof in de idealen van de revolutie, het contact met de kerk verloren. In het “Kerkeboek” van Bellingwolde staat echter dat op 4 juni 1804  vier kinderen tegelijkertijd gedoopt worden: Pieter, Antje, Sijbe en Doetje. Op 7 mei 1810 wordt nog een dochter geboren, Hiltje.

Op 12 mei 1813 verhuist Rinske met Daam, Pieter, Antje, Siebe, Doetje en Hiltje naar Oudebildtzijl. Sjoerd blijft, evenals zijn getrouwde dochter Jelske, in het oosten van het land wonen.  Hij en Rinske zijn nooit officieel gescheiden maar ze zijn ook niet meer bij elkaar gekomen. Bij de huwelijken van alle kinderen wordt in de archieven wel steeds vermeld dat ze “echtelieden” zijn.

Rinske overlijdt op 26 september 1826 in Oudebildtzijl, 66 jaar oud. Ze staat dan nog steeds als “gehuwd” in het bevolkingsregister. Sjoerd staat bij de volkstelling van 1829 vermeld als inwoner van Zuidwolde (Drenthe). Bij “beroep” staat: “commies bij de in en uitgaande regten en accijnzen”.  Hij wordt verder geregistreerd als weduwnaar en als protestant. Een partner wordt niet vermeld.

Sjoerd overlijdt op 75-jarige leeftijd op vrijdag 13 mei 1831 ’s avonds om zes uur bij de Zellingerbrug in de gemeente Vlagtwedde. In de memorie van successie en de notariële akte wordt vermeld dat “er geen onroerend goed aanwezig is”. De voormalige timmerman met “eenen schoonen Timmeraffaire” is arm overleden. De plaats waar hij is begraven, is onbekend.

Het levensverhaal van Sjoerd Pieters Schaaf laat zien hoe de grote maatschappelijke gebeurtenissen van het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw het persoonlijke en maatschappelijke leven van een eenvoudige timmerman uit het Friese dorpje Vrouwenparochie sterk beïnvloed hebben.

 

Dit artikel is geschreven door Sjoerd Schaaf, historicus in Twello (januari 2019).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.